Hoe wij onze partners kiezen

By in
77
Hoe wij onze partners kiezen

‘Onze laatste sessie samen, vertel wat ligt er nog?’, vraag ik hem. ‘Op dit moment ben ik vooral bezig met mijn relatie’, zegt hij dan. ‘Mag ik dat ook inbrengen?’ vraagt hij. ‘Volgens mij brengen we altijd alles in, dus kom maar op’, zeg ik. En dan zie ik zijn lijf weer draaien zoals ik dat zo goed van hem ken. Zijn handen bewegen op en neer en in het kiezen van de juiste woorden, stokt het. ‘Ah daar ben je weer’, zeg ik hem plagend. ‘Wat mag er niet zijn in alle woorden die je kiest’ vraag ik hem. Een verlegen glimlach komt mijn kant op. Ik mag deze man graag, het is hard werken voor hem in het vinden van zijn gevoel en het verwoorden daarvan, maar hij gaat het niet uit de weg.

‘Ergens moet het gewoon makkelijk zijn, niet te moeilijk’, zegt hij. ‘Zoals vroeger op het grasveld waar je voetbal speelde als kind, vraag ik hem’. ‘Ja gewoon simpel en makkelijk’, zegt hij. ‘Dan kan ik het je beter maar niet al te moeilijk maken’, zeg ik. ‘Want dan kom je nooit meer terug’. Ik krijg een glimlach van hem en we lopen door. Ik blijf even stil. En dan begint hij te vertellen. Over zijn relatie en de grote kinderwens die voor lange tijd maar niet uitkwam. En waar het jaar in jaar uit, dag in dag uit over ging. Over de bezoeken aan het ziekenhuis en het elkaar kwijtraken in de intimiteit en seksualiteit. Over het effect van hormonen en over hoe je als man ergens ook zo aan de zijlijn staat. Wandelend komen we aan in de duinen.

‘Zullen we hier gaan zitten?, vraag ik hem. ‘Gesprekken op een boomstam doen het altijd goed met jou’, zeg ik. We slepen een boomstam wat meer naar voren om goed zicht te hebben over de hele duinen. Aan de rechterzijde een prachtige witte heuvel en aan de linkerzijde bos. Hij blijft maar naar de rechterzijde kijken. ‘Wat is daar te zien’?, vraag ik hem. ‘Daar is het licht, schijnt het zonnetje’. ‘Ook een flinke heuvel’ zeg ik hem. ‘Dat vind ik fijn, dan denk ik aan vroeger, hoe we daar speelden en klauterden’. ‘Daar is niet te veel gedoe’ vul ik hem plagend aan. Een van zijn favoriete quotes. Hij begint hard te lachen, ‘ja precies, niet teveel gedoe’. ‘Maar vertel eens verder zonder je woorden uit te kiezen, want daar zijn we deze coaching mee gestart, minder draaien, meer recht vooruit’, zeg ik hem. ‘Nou eigenlijk zijn we elkaar verloren de afgelopen jaren’, zegt hij terwijl hij wat naar beneden wegkijkt, en dan kijkt hij weer naar rechts. Snel vult hij aan, ‘Maar zo erg is nou ook weer niet’. ‘Oh ja, dat is wat je zo goed kunt’, zeg ik. ‘Afzwakken als het te zwaar klinkt’. ‘En dat past dan weer goed bij het licht van het duinzand’, zeg ik. ‘Ja het is wel fijn als er even geen gedoe is’, zegt hij. ‘In het hele proces van de kinderwens is er weinig sprake meer van spontaniteit en intimiteit’. ‘Van spontaan vrijen kwam niets meer, en uiteindelijk heb je ook maar five minutes of fame in de kliniek’, grinnikt hij. ‘Toen onze zoon er eenmaal was, ging daar alle aandacht naar uit’, zegt hij opgelaten.

‘Ja dat is heftig en zo herkenbaar, je kent mijn verhaal’, zeg ik hem. ‘Jaren van hormonen, kliniek in en uit, hoop en teleurstelling, wanhoop en terug naar hoop’. En elkaar blijven vinden in deze weg is een hele opgave’.

‘En als we nu eens naar links kijken naar het bos?’, vraag ik hem. ‘Daar kan ik mij verstoppen, en dat is ook wel fijn’, zegt hij. ‘Zullen we daar dan eens naartoe gaan?’, vraag ik hem. Terwijl we naar het bos lopen wisselen we nog wat verhalen uit over het hebben van een lang onvervulde kinderwens. Twee aparte verhalen en toch ergens zo hetzelfde. Over de wens en het verlangen.

‘Kies maar een plek uit om te gaan staan’, zeg ik hem. En dan gaat hij achter een boom staan met uitzicht op het witte duinzand. Niet helemaal achter de boom, maar net genoeg verscholen. ‘Hoe is het daar?’ vraag ik hem. ‘Wel fijn, hier hoef ik niet zoveel, kan ik wegduiken en toch naar de andere kant kijken’, zegt hij. ‘Hoe ziet het wegduiken in jullie relatie eruit?’ vraag ik hem? ‘We leven langs elkaar heen, we praten niet meer met elkaar’. ‘En we zoeken elkaar steeds minder op’, zegt hij. ‘Het lijkt mij ook lastig voor jouw vrouw om je te vinden als je half achter een boom staat’, zeg ik. En terwijl ik deze woorden uitspreek, verschijnt er ineens een piepklein muisje uit een holletje, die ons gesprek volgt, zolang als we daar staan. Telkens schiet hij weer even weg en komt dan weer terug. ‘Kijk dat ben jij’, je laat jezelf zien maar als het spannend wordt ben je weg’. ‘Ja dat is waar’, zegt hij. ‘Al heb ik het wel al eens aangekaart’, zegt hij ter verdediging. ‘Wat precies heb jij aangekaart’, vraag ik hem. ‘Nou dat we elkaar niet meer zoveel spreken’. ‘Maar dan reageert zij niet echt en dan houdt het op’. ‘Dan verdwijn jij weer in je holletje?’, zeg ik. ‘Ja precies’. ‘Nou dan kan je beter helemaal achter die boom gaan staan’, zeg ik en zet hem achter de boom. ‘Je weet toch waarom kinderen verstoppertje spelen’, vraag ik hem. ‘Nou?’ kijkt hij mij ondeugend aan. ‘Om gevonden te worden’. ‘Er is niets zo saai en eenzaam om jezelf te verstoppen en niemand die naar je op zoek gaat of die je vindt’. ‘Waarin wil jij gevonden worden door je vrouw?’, vraag ik hem. ‘Dat ze mij weer ziet als man, niet als donor of als vader, maar voor de man die ik ben’, zegt hij. ‘Als partner’, benadrukt hij nog. ‘Bedenk je dan wel dat wat jij niet te geven hebt, zij niet aannemen kan’, zeg ik hem. ‘En andersom natuurlijk ook’. ‘Door te zeggen wat jullie niet meer doen, geeft nog niet aan wat je wel graag wilt’, zeg ik.

 ‘Interessant is wat het jullie gekost heeft om bij het gesprek weg te blijven’, zeg ik hem en ik pak twee boomstronken en zet deze voor hem neer. ‘Stel je voor dat jullie hier samen zitten, hoe zouden jullie dan deze vraag beantwoorden’? ‘Dan zouden we samen de liefde missen en ons allebei eenzaam voelen’, zegt hij. ‘Dat is dan mooi om over in gesprek te gaan samen’ zeg ik.

‘Zullen we eens naar het licht lopen, want dat vind je zo fijn’, zeg ik. ‘Misschien word je daar gevonden’. En we lopen het duinzand op. Terwijl we een plekje uit zoeken merk ik dat ik hard aan het werk ben, het is koud, de wind waait flink langs. ‘Hard werken hier’, zeg ik. ‘Ja het is hier eigenlijk helemaal niet zo fijn’, zegt hij. ‘Het lijkt wel licht, maar het is hard werken om hier te kunnen zijn’. ‘Het is veel ballen in de lucht houden’, zegt hij. ‘De zon schijnt in mijn ogen, maar mijn lijf heeft het koud’. Ik kan mij eigenlijk helemaal niet meer concentreren op het gesprek’, zegt hij. ‘Je zou ook kunnen zeggen dat het hard aanpoten is om alles mooi te laten zijn, zonder gedoe en alles af te zwakken’, zeg ik. ‘Dat is het zeker, ik voel nu hoe moe ik ben’, zegt hij. ‘Hier waar het zo mooi moet zijn, ben ik gesloopt’. ‘Kijk nu eens naar het bos’, hoe is dat vanuit hier?’, vraag ik. ‘Ik merk dat ik daar naartoe wil, daar is het een stuk minder hard werken’, zegt hij. ’In het verstoppen of achter de boom vandaan komen’ vraag ik hem. ‘Beiden’ zegt hij en dan staat hij resoluut op. ‘Laten we dan terug gaan, maar wel via het pad in de heide’, zeg ik.

‘Eigenlijk mogen we hier niet lopen in die prachtige heide van bosbeheer’, vertel ik hem. ‘Weet je waarom niet?’, vraag ik hem. ‘Nee’. ‘Omdat ze bang zijn dat we iets stuk maken’. ‘In het lopen op een smal klein pad vol moois om ons heen, kunnen we als we niet uitkijken iets stuk maken wat niet meer te repareren is’, zeg ik. ‘En daar wordt het spannend’, zeg hij. ‘Dus hoe kunnen we tussen al die schoonheid bewegen, zonder bosbeheer boos te maken vraagt hij?

‘Door bang te leren zijn’ zeg ik hem. ‘Door bang te zijn en toch te blijven zonder je te verschuilen’, zeg ik. En misschien samen met bosbeheer ook wel een beetje boos te zijn’. ‘Je grenzen aan te geven en je verlangens te delen’. ‘Zoek die plek waar het schuurt maar eens op’, zeg ik hem. ‘Aan de zijlijn ben je minder kwetsbaar maar misschien ook wel wat eenzaam als je je niet meer kunt verbinden met elkaar’.

‘‘Dat is wel spannend’, zegt hij. ‘Want wat gebeurt er dan met ons gezin? ‘Dat weet ik ook niet zeg ik hem, maar als je je achter de boom verstopt of in het holletje kruipt vinden jullie elkaar nooit’.

 

Vaak zoeken we in onze partner wat we ons zelf niet kunnen geven. Alles wat je van binnen niet hebt uitgezocht tref je in de wereld om je heen aan. Dus ook bij je partner. Of wellicht juist bij je partner. Het is makkelijker om een partner uit te zoeken die ook bang is, zodat je het samen niet hoeft aan te gaan, dan iemand uitzoeken die de confrontatie opzoekt bij jou. Vaak doen we dit onbewust.

Onbewust schrijven we onze eigen gevoelens toe aan de ander. We hebben vaak geen enkel contact met deze gevoelens en impulsen en schuiven deze op de ander af. En de ander gaat zich steeds meer gedragen naar deze projecties.

We projecteren op de ander wat we zelf te doen hebben. Hij was bang voor haar afstandelijkheid, waar het ook gaat over zijn eigen afstandelijkheid, doordat hij bang is om te alles te verliezen. We hebben de ander nodig om dat wat we voor onszelf niet kunnen hanteren, in het conflict met de ander te leren. Door zijn eigen kwetsbaarheid aan te nemen hoeft hij niet meer bang te zijn voor haar afwijzing. Door zelf zijn eigen angst aan te nemen, door zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen stappen, hoeft de ander het niet meer op te lossen voor hem. Er ontstaat dan ruimte voor partners om elkaar weer te ontmoeten in hun eigen kracht.

Wil je meer leren over hoe jij communiceert, met jezelf en in contact met jezelf met de ander? We nodigen je graag uit in onze 2 jarige opleiding professioneel communiceren.

54321
(0 votes. Average 0 of 5)