Waarom mannen ook "hufters" moeten kunnen zijn

By in
561
Waarom mannen ook "hufters" moeten kunnen zijn

“Wil jij alsjeblieft met je vader gaan praten voor mij”, vraagt zijn moeder hem.

“Ik wil mij graag aanmelden voor de masterclass, ik hoor er goede resultaten over”, schreef hij mij in zijn email. Het eerste compliment is binnen. Wanneer hij arriveert stelt hij zich voor met een zakelijk uitgestrekte arm. En tegelijkertijd ontvang ik van deze lange charmante man direct een paar warme woorden en een grote glimlach. Hij weet precies, op die arm na dan, een vrouw op haar gemak te stellen. In het voorstellen vertelt hij mij en de groep over zijn rol als leidinggevende en hoe goed hij is om zijn medewerkers te begeleiden in zijn team. “Ze vinden mij een onderdeel van het team”. “En ik weet ook precies waarom”, zegt hij. “Ik vind het belangrijk dat iedereen gezien wordt”. “Is dat niet een hele klus om iedereen te zien”, vraag ik hem? “Nee dat valt wel mee”, grijnst hij, “ik vind het ook leuk om te doen”. “Leuk om iedereen het hof te maken vraag ik hem of om zelf gezien te worden”? Hij kijkt mij even met geknepen ogen aan. “Het geeft mij een goed gevoel dat ze het fijn hebben en dat ze het gevoel hebben dat ze gewaardeerd worden”.

“Als alles zo goed gaat dan zijn we ook snel klaar”, knipoog ik naar hem. “Of breng je het nu mooier dan dat het is”? Blozend zegt hij, “nou dat ken ik wel”. “Mooier maken dan dat het is”.

“Wat mocht er dan niet gezien worden”?, vraag ik hem. Glimlachend en ietwat verlegen kijkt hij weg. “Eigenlijk was alles een facade”. “Alles draaide om mijn vader”. “Als hij thuis kwam was hij moe van het werken en moesten wij onze mond houden”. “Mijn moeder vond het belangrijk dat we het wel gezellig hadden en dus deden we er alles aan om hem tevreden te houden”. “En als dat niet lukte”? vraag ik hem. “Dan kwam ze ’s avonds naar mij toe als ik in bed lag met de vraag of ik met mijn vader wilde gaan praten om het op te lossen, en bleef zij huilend achter in mijn kamer”.

“Hoe oud was je toen jij op de plek naast je moeder ging staan”? Hij kijkt mij een beetje spottend aan en zegt, “nou dat durfde ik niet hoor, want één weerwoord of eigen mening mocht je niet geven”. “En toch stond je ook op de plek van je vader, gezet door je moeder en aangenomen door de kinderlijke liefde voor je moeder”. “Door te proberen de problemen tussen je ouders op te lossen”. “Als je het zo stelt, dan zo lang als ik mij kan herinneren”. Hij gaat verzitten en recht zijn schouders. Serieus kijkt hij mij aan. “Dus jij kan een goede leider zijn”? “Ja dat denk ik wel”, zegt hij. “En iedereen voelt zich tenminste wél fijn bij mij”. “Anders dan bij”? vraag ik hem. “Nou anders dan bijvoorbeeld bij de dominantie van mijn vader”. “En wat kost het jou om altijd maar de goede samaritaan te zijn die alles oplost”? Ik zie hem nadenken. “Dat ik niet naar mijn gevoel luister”. “Wat levert het op om niet naar je gevoel te luisteren”? “Dat het altijd goed is”. “Dank je wel”, zeg ik. “En wat levert het je nog meer op”? Hij kijkt mij even verward aan met een frons van irritatie. Een spel van afstoten en terugtrekken. “Ja dat het dus goed is”. Ik zeg hem weer dank je wel. En vraag het hem nog een keer. “Dan voel ik mij veilig”, zegt hij. “Dank je wel”. “Wat levert het je nog meer op”? “Dat ik er niet over hoef na te denken”. “Dan kan ik door blijven stomen en dan blijft alles zoals het is”. “En als het verandert”? “Dan kom ik er misschien achter dat het niet goed is”. “Dat ik het niet goed heb gedaan”. “Dat ik schuldig ben aan het feit dat ik het niet allemaal kan fixen”.

“Welke waarheid achter die schuld is voor jou zo spannend om aan te kijken”?. “Dat het leven niet perfect is en ik dus ook niet”. “Niet goed genoeg zijn staat gelijk aan onrust en ruzie”. “Ik schuur nu ook een beetje met jou, wat gebeurt er dan van binnen”? Dan wil ik het oplossen”. “En als dat niet lukt, dan word ik verdrietig” zegt hij. “Wat een grote klus voor een klein jongetje om het gehele gezin bij elkaar te houden”, zeg ik. “En waarbij het dan toch niet lukt”. Even blijft het stil.

“Wie wilde je dan uiteindelijk tevreden houden, je vader of je moeder”? Hij knippert met zijn ogen en schudt dan even zijn hoofd. Ik vraag hem diep in te ademen en deze vraag nog een keer te stellen aan zichzelf. “Mijn moeder”… en dan wordt het weer even stil.

Ik bedenk mij in deze stilte hoe mooi het is hoe de stilte je telkens weer dichter bij je ziel brengt.

“Bijzonder is dat hé, de band tussen moeder en zoon”, zeg ik hem. “En ook vaak een waar een driehoeksverhouding tussen moeder, zoon en vader ontstaat”.

“Weet je er bestaat een mooi kinderboekje over”, zeg ik hem.

“Er was eens een klein konijntje dat wilde weglopen.
Dus zei het tegen zijn moeder, ik loop weg.
Als jij wegloopt zei zijn moeder dan zal ik je achterna lopen.
Want jij bent mijn kleine Nijntje”.

“Dan verander ik mijzelf in een forel”, zei het konijntje. “Dan word ik een visser”, zei zijn moeder. “Dan word ik wel een zeilboot”, zei het konijntje. “Dan word ik de wind” zegt zijn moeder, “en zal je overal heenblazen waar ik maar wil”.

“Dus ergens zou je ook kunnen zeggen dat je als puber je mannelijkheid vindt wanneer je je mag onderscheiden en losmaken van het vrouwelijke, je moeder”.

“Begrijp je wat ik met het mannelijke bedoel”, vraag ik hem. “Want we hebben nl allemaal het mannelijke en vrouwelijke in ons”.

Dan kijkt hij een van zijn deelnemers aan en zegt, “zoals jij”. “Jij bent heel mannelijk”. Waarop de andere deelnemer zegt, “nou dat valt ook wel mee”. “Nou wat ik wil zeggen is dat je precies weet wat je wilt”. En zo gaat het nog even verder. Hij complimenteert, waarop de andere man corrigeert en waarop hij uitleg gaat geven.

“Wat gebeurt er hier”? “Ik wil dat het gezellig blijft en hij mij wel goed begrijpt”. “Wat zou er gebeuren in het jou begrijpen?”, vraag ik hem. “Dan weet hij wat ik echt bedoel, wie ik echt ben”. “Gaat het dan over deze man of over jouw vader”? vraag ik hem? Even kijkt hij met een vies gezicht. “Ja over mijn vader”. “En die rol gun je hem niet als ik naar je gezicht kijk”, klopt dat? “Nee, liever niet”, zegt hij dan. “Wat precies aan je vader wil je niet aannemen van hem”? “Nou dat hij een hufter is bijvoorbeeld”, zegt hij met opgetrokken wenkbrauwen. “Mmm, nee dat is nou niet echt een karaktereigenschap waar je voor in de rij gaat staan”, zeg ik. “Maar dan blijf je wel een prins en word je geen koning”. “Ergens hebben we van onze moeders los te komen, zeker de zonen, en onze mannelijkheid naast onze vader te vinden”. “In jouw geval betekent dit dat je ook de hufterigheid van je vader moet kunnen aankijken”. “Nou nee dank je wel”, zegt hij.

“Het punt met een prins is dat hij uiteindelijk een koning wil worden” zeg ik. “En daarvoor experimenteer je met het afstoten van je moeder en het weer terugkomen naar de veilige plek”. En wanneer je de ruimte niet krijgt van je moeder om afstand te nemen, je blijft zoeken in het afstoten en terugkomen. “Precies zoals je nu met mij doet”. “En ik schuif wat dichter naar hem toe. “Zijn lichaam verstijft, zijn kin wat omhoog en met zijn neusvleugels wijd open haalt hij diep adem”. “Dan ineens zegt hij resoluut, “dit vind ik niet fijn”. Om een seconde later mij een warme glimlach te geven. “Dit verward mij, zeg ik hem”. “Wanneer ik de verbinding op wil zoeken neem je afstand”. “En direct kom je terug met warmte om de Godin, je moeder, niet te ver van je af te stoten”.

“Weet je wat hufters goed kunnen”?, zeg ik. “Hufters kunnen heel goed aangeven wat zij nodig hebben, in plaats van voor de ander te denken of zorgen”. “Zonder gemixte signalen af te geven”.

Dan plaats ik een man en vrouw tegenover hem. Hij kijkt zijn vader uitdagend aan. “Wat gebeurt hier”, vraag ik hem. “Ik maak me niet meer klein voor hem”. “Die tijd is voorbij”. “Ah”, zeg ik hem. “De prins battelt met de koning”. “Dan ineens zie ik beweging in het kleiner worden”. Het besef van de grote en de kleine. Ik raak hem zacht aan op zijn arm en vraag hem nog eens diep in te ademen. “Zeg mij maar na”, zeg ik hem. “Papa jij bent de grote en ik de kleine”. Zijn ogen worden groot. “Lastig he voor een kleine jongen die ooit zo heeft besloten zijn vader niet meer aan te nemen als zijn vader”. “Ja dat is het zeker”. “Laten we het hier toch eens proberen”.

“Papa jij bent de grote, ik ben de kleine, jij bent mijn vader, ik ben jouw zoon”. Wat onwennig zet hij zijn eerste stappen. “Papa ik neem jou zoals je bent, in alles wat het jou en mij heeft gekost”. Het gevecht begint in het kleine jongetje en de man van nu. “Daarmee neem ik ook mezelf aan, in het zorgzame maar ook de hufter die ik kan zijn”. “Die ik mag zijn”. “Die ik wil zijn”. Zijn hoofd loopt rood aan. En dan ineens zegt hij in volle kracht, “en ook de hufter die ik mag zijn”. Er verschijnt een grote glimlach op zijn gezicht, hij recht zijn rug en lacht nog harder. “Dat is eigenlijk best wel een opluchting zegt hij”. “Mooi zeg ik”. “Dan mag je naast je vader gaan staan”. En ik zet zijn moeder tegenover hem. En vraag hem hetzelfde tegen zijn moeder te zeggen. “Jij bent de grote, ik ben de kleine, jij bent mijn moeder ik ben jouw zoon”. “En in plaats van jouw held te willen zijn, sta ik nu naast mijn vader en zoek ik mijn eigen identiteit”. “Als forel en als zeilboot”. “Dat is goed”, zegt hij zijn moeder, “dat werd tijd”.

Waar het ergens zo om zijn vader leek te gaan, begon het bij de binding met zijn moeder. In het prille begin van ons leven zijn we innig verbonden aan onze moeder. We leven en overleven door haar aandacht en liefde. Door een gezonde binding leren we ons hechten en verbinden. Als kind heb je je ouder nodig om jezelf te leren vinden, in plaats van ingeklemd te voelen door zijn moeder om aan haar wanhoop te voldoen. Hij verliest daarmee op latere leeftijd zijn eigen spontane behoeften en bewegingen, omdat hij het beeld wordt dat zijn moeder van hem heeft. In dit geval de verzorger en redder. In plaats van zijn eigen Held te vinden neemt hij de rol op zich waarin hij op zijn Godin, zijn moeder, reageert, en verwerft heldendom door haar held te worden. Hij zal een prins blijven in plaats van een Koning te worden, wanneer hij in het licht waarin zijn moeder en vrouwen hem stellen, hij zijn mannelijkheid niet ten volle kan ontwikkelen.

Doordat zijn vader emotioneel en fysiek niet bereikbaar was en in het afzetten naar zijn vader toe in alles wat hij in hem verafschuwde sloot hij ook delen van zichzelf uit. Het besluit nooit op zijn vader te willen lijken, heeft hij ook de schaduwkant in zichzelf uitgesloten, door alles mooier te maken dan dat het is. Precies hoe hij het ooit had geleerd van zijn Godin. En haar Held te blijven door perfect te willen zijn.

De lieve vrede bewaren heeft weinig waarde zonder ook de schaduwkant er naast te plaatsen. De hufter in hem brengt hem terug bij zijn eigen identiteit, weg van zijn moedersschoot, terug bij zijn vader waar hij zijn mannelijkheid kon betreden. Zodat hij zelf zijn eigen beeld van hufterigheid kan bepalen. Daarmee hoeft hij niet alles goed te keuren van zijn vader, maar kan hij wel zijn manzijn insluiten. Weg van het spel van aantrekken en afstoten, dansend in moeders spiegel. Nu kan thuiskomen bij zichzelf. In het mannelijke en het vrouwelijke.

In het boek Dansend in Moeders Spiegel geschreven door Michael Gurian kun je meer lezen over rituelen voor mannen om los te komen van hun moeders en het effect op de vrouwen in zijn leven wanneer zijn moeder de Godin blijft en hij de held.

Wil jij je ook erder verdiepen voel je dan welkom in de masterclass Persoonlijk Leiderschap of in een van onze andere programma’s.

 

54321
(0 votes. Average 0 of 5)